Voor het correct instellen van slagingspercentages en cijfer weergave is het handig het onderstaande te raadplegen.

Bij een toets heb je vragen, scores, cijfers en het slagingspercentage. Het slagingspercentage bepaalt wanneer je een voldoende hebt.

Als de deelnemer een 5,5 krijgt, ziet het systeem dit als voldoende. Het is niet mogelijk om dit anders in te stellen en als dit bij jullie anders werkt, bijvoorbeeld dat een deelnemer geslaagd is bij een 5 of 6, dan raden we ten zeerste aan om de score te laten berekenen op basis van percentages in plaats van cijfers. 

Het slagingspercentage en de hoeveelheid vragen verhouden naar elkaar, maar zijn dus niet hetzelfde. Een slagingspercentage heeft in zekere zin invloed op de zwaarte die vragen hebben.

Stel dat je 70% als slagingsgrens hebt ingesteld bij 10 vragen (70% van 10 vragen is 7 vragen). Iemand heeft 7 vragen goed, dan zal deze deelnemer een 5,5 krijgen. Immers is dat het aantal vragen dat volgens het slagingspercentage een voldoende zou moeten zijn. 

Stel dat iemand 8 vragen goed beantwoordt, dan zit het cijfer om en nabij de 8. Dit loopt dus sneller op dan wanneer het slagingspercentage lager is. Het systeem gaat uit van dat je nooit minder kan krijgen dan een 1, dat is de bodemgrens. In ons voorbeeld heb je bij een slagingsgrens van 70% een 1, wanneer je maximaal 4 vragen goed hebt.

Wanneer je werkt met 'traditionele' cijfers kan je het beste een slagingsgrens van 55% aangehouden worden. Bij 55% van 10 vragen haal je dus een 5,5. Ditzelfde geldt, wanneer je bijvoorbeeld 20 vragen hebt. 55% van 20 vragen (11), verhoud zich tot een 5,5.